Alles over Monetair beleid
Op deze pagina vind je alles wat je nodig hebt om dit onderwerp te beheersen. Gebruik de tabs hieronder om te navigeren.
Eindtermen
Wat je moet kennen
Samenvatting
Duidelijke uitleg
Video's
Uitleg bij je methode
Examenvragen
Oefen met echte examens
Monetair beleid
De kandidaat kan herkennen, begrijpen en toepassen:
| Code | Beschrijving |
|---|---|
| I3.3.1 | De Europese Centrale Bank (ECB) voert monetair beleid en houdt financieel toezicht. |
| I3.3.2 | De geldhoeveelheid: geld in handen van publiek in omloop. M1 als maatstaf van de maatschappelijke geldhoeveelheid. |
| I3.3.3 | Doelstelling monetair beleid centrale bank. Enkelvoudig mandaat: prijsstabiliteit (ECB). Duaal mandaat: prijsstabiliteit en economische groei (bijvoorbeeld FED). |
| I3.3.4 | Geldschepping. Proces van geldschepping via simultane kredietverlening en creatie van bankdeposito's en vice versa voor geldvernietiging. Hogere rente centrale bank remt kredietverlening en creatie deposito's af en vertraagt de geldgroei omdat de financieringskosten van banken toenemen. |
| I3.3.5 | Monetair beleid (rentebeleid). De rente van de centrale bank (ECB: refi-rente) bepaalt uiteindelijk de geldhoeveelheid: een hogere (lagere) rente leidt tot minder (meer) kredietverlening door banken en dus een lagere (hogere) geldhoeveelheid. De Centrale Bank bereikt de aangekondigde rente door interventies op de geldmarkt. |
| I3.3.6 | Effectieve ondergrens nominale rente. Zodra de nominale rente negatief wordt, ontstaan er prikkels om vermogen contant aan te houden. In een geldeconomie kan de rente op spaargeld en overheidsobligaties enigszins negatief worden want het aanhouden van veel kasgeld is onpraktisch en kostbaar. |
| I3.3.7 | Banken en financieel toezicht. Een bankrun kan ontstaan doordat de langlopende bezittingen van een bank niet op korte termijn kunnen worden verkocht om aan de kortlopende verplichtingen te voldoen. Depositogarantiestelsel vermindert de kans op bankruns. De ECB treedt op als lener-in-laatste-instantie aan banken. |
| I3.3.8 | Rente, wisselkoersen en kapitaalverkeer. Wisselkoers: prijs van een munt in termen van een andere munt (bijvoorbeeld euro per dollar). Internationale concurrentiepositie van een land hangt af van buitenlands prijspeil ten opzichte van binnenlands prijspeil en de wisselkoers. Depreciatie/appreciatie van de munt leidt tot toename/afname van het saldo op de lopende rekening en een toename/afname van het saldo op de financiële rekening. Een hogere/lagere nominale rente leidt tot appreciatie/depreciatie van de munt door een hogere/lagere kapitaalinvoer. Wisselkoersregimes: vaste en zwevende wisselkoersen. Bij vaste wisselkoersen en vrij kapitaalverkeer kan de Centrale Bank geen onafhankelijke rentepolitiek voeren: als de centrale bank de rente verhoogt, leidt dat tot een kapitaalinstroom uit het buitenland, waardoor de wisselkoers apprecieert. Trilemma monetair beleid: maar twee van de volgende drie kunnen worden gekozen: vrij kapitaalverkeer, zelfstandig monetair beleid, vaste wisselkoers. |
| I3.3.9 | EMU. Een muntunie heeft als voordeel dat wisselkoersschommelingen worden voorkomen waardoor financiële stabiliteit kan worden bevorderd. Een muntunie heeft als nadeel dat economieën in de muntunie niet meer schokken kunnen opvangen via aanpassing van de wisselkoers waardoor de conjunctuurbeweging wordt versterkt. Theorie optimale valutagebieden: bij afwezigheid van wisselkoers is alternatief aanpassingsmechanisme nodig via prijzen, lonen, migratie of inkomensoverdrachten (transfers). |