Alles over Conjunctuur
Op deze pagina vind je alles wat je nodig hebt om dit onderwerp te beheersen. Gebruik de tabs hieronder om te navigeren.
Eindtermen
Wat je moet kennen
Samenvatting
Duidelijke uitleg
Video's
Uitleg bij je methode
Examenvragen
Oefen met echte examens
Conjunctuur
De kandidaat kan herkennen, begrijpen en toepassen:
| Code | Beschrijving |
|---|---|
| I1.1.1 | Begrippen voor de beschrijving van de conjunctuur. Bbp-groei & niveau. Output gap = feitelijke productie (= Y) ā potentiĆ«le productie (= Y*). Werkloosheid en werkgelegenheid. Inflatie en prijspeil (consumentenprijsindex). Nominale rente centrale bank. ReĆ«le rente. |
| I1.1.2 | Conjunctuur, output gap en werkloosheid. Structureel aanbod op lange termijn = potentiƫle productie Y*. Geaggregeerde vraag = feitelijke productie Y. Natuurlijke werkloosheid: structurele werkloosheid die hoort bij potentiƫle productie en constante inflatie. Hoogconjunctuur: overbesteding, output gap > 0, werkloosheid < structurele werkloosheid. Laagconjunctuur: onderbesteding, output gap < 0, werkloosheid > structurele werkloosheid. |
| I1.1.3 | Conjunctuur en welvaart. Schommelingen in de inflatie, het inkomen en werkloosheid veroorzaken welvaartsverliezen. |
| I1.1.4 | ReĆ«le versus nominale grootheden. Koopkracht en inflatie. De relatie tussen het prijsindexcijfer, koopkracht en inflatie/deflatie. ReĆ«le rente = (1 + nominale rente)/(1 + verwachte inflatie) ā 1. Geldillusie: mensen verwarren reĆ«le en nominale grootheden. |
| I1.1.5 | Conjunctuurpolitiek. Het beĆÆnvloeden van de conjunctuur door middel van monetair of begrotingsbeleid. Timing en dosering van actieve begrotingspolitiek en monetair beleid. |